Implementatie van de zelfmoordpreventierichtlijn in gespecialiseeerde instellingen voor geestelijke gezondheid in Nederland

Jaarlijks overlijden er in Nederland drie maal meer mensen door suïcide dan door verkeersongevallen. Suïcide is een ramp met de omvang van de Watersnoodramp van 1953, die ieder jaar weer over ons land spoelt. Als antwoord hierop startte het Ministerie in 2014 met meer dan 20 veldpartijen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie. De voortgang van deze Agenda wordt aangejaagd, gecoördineerd en geëvalueerd door 113 Zelfmoordpreventie.

Geschreven door: Jan Mokkenstorm, Gerdien Frankx, Renske Gilissen, Ad Kerkhof en Johannes Hendrikus Smit

Eén van de belangrijkste punten van de Landelijke Agenda is bevorderen van de toepassing van de multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van Suïcidaal Gedrag (MDRSG) binnen GGZ instellingen. Ongeveer 40% van alle suïcides in Nederland betreft patiënten in zorg bij de specialistische GGZ. Verwacht wordt dat systematische toepassing van de richtlijn zal leiden tot een significante daling van het aantal suïcides onder patiënten van GGZ instellingen.

Om de toepassing van de richtlijn in kaart te brengen én te bevorderen bouwde 113 een samenwerkingsrelatie op met contactpersonen van de 24 grootste GGZ instellingen van het land met samen meer dan 70% van alle suïcides in de GGZ. Samen met deze contactpersonen bepaalden 113 kwartiermakers, die de instellingen halfjaarlijks bezochten, hoever de invoering van de richtlijn binnen de instelling was gevorderd. Dit gebeurde aan de hand van een monitor instrument dat samen met de instellingen is ontwikkeld. Na drie jaar is de balans opgemaakt.

Over het geheel genomen kan worden geconcludeerd dat instellingen door de halfjaarlijkse bezoeken en het gezamenlijk invullen van het monitorinstrument, aan de slag zijn gegaan met de invoering van de richtlijn. Statistisch significante toename van de mate van toepassing werd gevonden op vier domeinen: 1) het opstellen en uitwerken van een suïcidepreventie beleidsplan voor de gehele instelling; 2) het trainen van medewerkers in het omgaan met suïcidale patiënten en de toepassing van de richtlijn; 3) leren en verbeteren na evaluatie van de zorg bij patiënten die door suïcide om het leven kwamen; 4) het analyseren van meerjarige trends in de suïcide aantallen. Versterking van de zorg met ketenpartners en het realiseren van een meerjarig opleidingsprogramma voor alle medewerkers verbeterden niet significant. De toepassing van vier richtlijn aanbevelingen verbeterden niet: het registreren van suïcidepogingen; het betrekken van naasten bij de behandeling; het opstellen van veiligheidsplannen met patiënten; en het standaard vragen naar suïcidaliteit bij alle patiënten gedurende de gehele behandeling.

De bevindingen uit deze studie geven aan dat er een belangrijke eerste stap is gezet, maar ook dat er nog veel ruimte voor verbetering is. Er is nog steeds sprake van significante praktijkvariatie, bijvoorbeeld op het gebied van training van medewerkers. Er zijn instellingen bij wie 1 op de 10 hulpverleners niet getraind is en instellingen bij wie 8 van de 10 hulpverleners niet getraind is. Dit gebrek aan training kan van invloed zij op de overlevingskansen van suïcidale patiënten. Ondanks een forse inzet van veel GGZ instellingen lopen suïcidale patiënten nog steeds een risico dat hun behandelaar niet getraind is in suïcide preventie.

De door 113 gekozen aanpak met kwartiermakers en het gebruik van een monitorinstrument lijkt ook een positief effect te hebben gehad op de houding van GGZ instellingen ten aanzien van suïcidepreventie. Vorig jaar zijn 14 van de 24 deelnemende  instellingen gestart met een nieuw initiatief: Suïcide Preventie Actie Netwerk in de GGZ (SUPRANET-GGZ). In dit netwerk delen zij hun suïcidecijfers met elkaar, in relatie tot de omvang en kenmerken van hun patiëntpopulatie en de vormen van behandeling die zij toepassen. Daarnaast werken ze met enkele indicatoren om op voor de hulpverleners cruciale zorgaspecten de kwaliteit van zorg te monitoren. Deze ‘kwaliteitsinformatie’ vormt de basis van uitwisselen en leren van elkaar. De verwachting is dat binnen een aantal jaar  zichtbaar zal zijn welke instellingen beter in staat zijn hun zorg zodanig aan te laten sluiten op de problemen van hun patiënten dat zij suïcide onder hen kunnen voorkómen.

Op basis van positieve ontwikkelingen als deze heeft het Ministerie van VWS besloten tot voortzetting van de Landelijke Agenda Suïcidepreventie tot 2021. 113 zal hierbij haar leidende en coördinerende rol blijven spelen. 113 Kwartiermakers gaan door met het monitoren van de richtlijn toepassing, waardoor over 3 jaar de balans opnieuw kan worden opgemaakt.

Lees hieronder het volledige artikel (Engels) / Click on the file below to read the full article in English