Het klinkt misschien vreemd, want juist op dat moment bood een nieuwe behandelaar me eindelijk de kans op traumatherapie. Iets waar ik al jaren om vroeg, maar niemand durfde eraan te beginnen. Te complex, te risicovol. Alleen: ik was het geloof in therapie en vooral in mezelf volledig kwijt.
Mijn behandelaar stemde onder één voorwaarde in: geen actieve suïcidepogingen tijdens de behandeling. Ze wist dat de wachtlijsten voor euthanasie lang waren, en vertrouwde erop dat ik therapie een echte kans zou geven als ik mijn doodswens tijdelijk kon parkeren. En toen gebeurde er iets dat ik nooit had verwacht. Zes weken later kreeg ik bericht: ik stond op de wachtlijst, maar zou pas over twee à drie jaar beoordeeld worden. Elk jaar zou er contact zijn om te vragen of ik nog steeds door wilde met het traject. Ik legde de brief opzij, letterlijk en figuurlijk. Want intussen begon ik, heel voorzichtig, aan mijn behandeling.
Het sloeg aan. Niet als een wondermiddel, maar als een proces dat me stap voor stap uit de overlevingsstand haalde. Na een half jaar kon ik voor het eerst weer alleen naar buiten. Naar drukke plekken zelfs. Iets wat me jaren niet was gelukt. Na een jaar werkte ik weer, één dag per week. Het klinkt klein, maar voelde als een triomf. Ik kreeg mijn leven stukje bij beetje terug. Een leven dat ik ooit vaarwel had willen zeggen, maar nu voorzichtig opnieuw begon te omarmen.
Wat het verschil maakte? Natuurlijk de therapieën, EMDR, imaginaire exposure, schematherapie, cognitieve gedragstherapie — maar vooral de mensen. Mijn psycholoog. Het ambulante thuisteam dat dag en nacht voor me klaarstond. Niet omdat ik een patiënt was, maar omdat ik een mens was. Ze geloofden in mij. En hun geloof hielp mij het mijne terug te vinden.
Na negen maanden boekte ik een ticket. Voor het eerst in zes jaar stapte ik weer in een vliegtuig. Helemaal alleen reisde ik af naar Boston en New York. Die reis gaf me een adrenalinekick, maar vooral: het gevoel dat ik weer iemand was. Niet alleen iemand die het probeerde vol te houden, maar iemand met dromen. Dromen die verder gingen dan overleven: liefde vinden. Misschien ooit een gezin. Een toekomst.
Natuurlijk ging het niet alleen maar bergopwaarts. Soms struikelde ik. Viel ik terug in oude patronen. Maar mijn behandelaar leerde me: ook het leven van gezonde mensen is niet vrij van tegenslag. Geluk is geen constante. Mijn rugzak was zwaarder, ja. Maar dat maakte me niet ongeschikt voor herstel. Het leerde me dat ik niet alleen goed was in dragen, maar ook kon leren loslaten. Na een jaar werkte ik weer parttime, was ik voorzichtig aan het daten en bouwde ik mijn sociale netwerk opnieuw op. De intensieve zorg werd langzaam afgebouwd.
En toen viel er weer een brief op de mat. Van het Expertisecentrum Euthanasie. Of ik op de wachtlijst wilde blijven staan. Opeens stond alles weer even stil. Zó lang had ik gewacht op dit moment. Zó vaak had ik gesmeekt om het traject te mogen volgen. En nu kon het. Maar wilde ik het nog wel? Ik twijfelde. Kort, maar intens. En daarna belde ik: “Ik wil van de wachtlijst af.” Niet omdat mijn leven ineens perfect was. Maar omdat het leefbaar was. Omdat ik geloofde dat er méér in zat. En omdat ik eindelijk durfde te hopen.
Het heeft me geleerd: er is altijd hoop. Hoe uitzichtloos je situatie ook lijkt, hoe vaak je ook bent afgeschreven. Je hoeft maar één keer de juiste hulp te vinden. Eén professional die wél durft te kijken. En jezelf nog één kans te gunnen. Geen garantie op geluk. Maar misschien, heel misschien, een nieuwe kans op leven.