Abbie is het toonbeeld van integratie en het leven lijkt hem toe te lachen. Maar dan, in 2013, beleeft hij de donkerste nacht van zijn leven. Vanwege de duistere stemmen in zijn hoofd lijkt er maar één uitweg mogelijk. Hij onderneemt een poging tot zelfdoding die hij overleeft.
De depressie klemt zich steeds verder vast aan Abbie en wil bij hem blijven. De verstoorde band met zijn vader, de negatieve gedachten in zijn hoofd en zijn overmatige drankgebruik vormen de basis van zijn boek ‘Ik blijf bij je’.
In 2023 toerde Abbie in samenwerking met Toneelgroep Maastricht met de toneelversie van zijn autobiografische boek ‘Ik blijf bij je’ langs scholen en stichtingen. Dit jaar speelt het theaterstuk in een regie van Michel Sluysmans t/m 26 mei in de Nederlandse theaters. Vanuit Houd Moed mochten we Abbie interviewen over zijn leven, verleden en heden.
Ik ben geboren in 1979. In 1983 ben ik naar Nederland gekomen. Alles was nieuw. Zelfs mijn vader was nieuw. Die leerde ik pas kennen in Nederland, daarvoor werkte hij in het buitenland. Pas toen begon ik te begrijpen wat voor man hij was. Ik ben opgegroeid met huiselijk geweld. Hij kon geen woorden gebruiken om zich te uiten. Dus dat werd fysiek geweld.
Als kind hoop je dat je dan buitenshuis gezien wordt. Dat gebeurde niet. We hadden wel een buurman die het hoorde en op de muren ging slaan en riep dat hij de politie zou bellen, maar dat deed hij nooit. Leeftijdsgenoten maakten hetzelfde mee. Daar praatte ik dus ook niet mee. ‘Laten we maar lekker spelen met elkaar, want als dit afgelopen is, dan moeten we weer terug de hel in.’
Ook op school hoop je dat iemand je ziet. Er is nooit een leerkracht geweest die naar me toekwam en vroeg of het wel goed ging. Misschien was het ook dat ze dachten dat het bij mijn cultuur hoorde, maar ja, ik ben nog steeds een kind he, en ik werd gewoon mishandeld. Niemand kwam naar me toe. Ik had graag gewild dat iemand mijn pijn zou erkennen en zou zeggen: Het ligt niet aan jou.
Ik ben in die jaren niet minder van mijn vader gaan houden, maar minder van mezelf gaan houden. Ik ging geloven dat ik die mishandeling verdiende. Met die overtuiging groei je dan op. Als je daar niet over leert praten, dan ga je dat zelf oplossen. Ik ben dat naar binnen gaan richten. Ik zocht naar liefde, naar ergens bijhoren.

We denken graag in hokjes. Ik wilde graag in zo’n hokjes passen. En iedere keer als ik dacht dat ik ergens in paste, werd het bevestigd dat ik daar helemaal niet bij hoorde. Dat werd mijn strijd. Dat werd steeds moeilijker naarmate steeds duidelijk werd dat ik er niet bij hoorde: 'Zie je nou wel, je bent die nep moslim, die nep Hollander, die verkaasde Marokkaan.’
Nu is dat voltooid verleden tijd. Ik hoef niet meer te zoeken. Het draait ook niet meer alleen om Abbie. Ik heb een gezin en twee kinderen en moet er ook voor hen zijn en dat geeft veel rust.
Er speelde ook veel schaamte en angst. Ook toen ik ouder werd, bleef ik er niet over kunnen praten. Dan vinden ze ons vreemd, raar. Op een gegeven moment had ik alcohol nodig om rust te krijgen. Ik had steeds meer alcohol nodig. Ik werd steeds destructiever. Ik kon alleen in mijn eigen appartement mijzelf zijn. Voor de buitenwereld deed ik het heel goed, maar van binnen ging ik kapot. Ik bleef in de buitenwereld mijn best doen, om ergens bij te kunnen horen.,
Om mij heen gingen op mijn werk allemaal collega’s een master volgen. Dus dat moest ik toen ook doen. Ik ging me inschrijven en een lerarenbeurs aanvragen. Ik dacht dat dat voldoende was. Toen ik wilde starten, bleek dat ik me ook nog aan had moeten melden bij de universiteit zelf. Dat kon toen niet meer, pas weer in februari. Ik was alleen door mijn werkgever wel iedere maandag vrij geroosterd vanaf september.
Ik durfde dat niet te zeggen tegen mijn werkgever. Ik was bang wat anderen ervan vonden. “Als ik nu niks zeg tot februari, dan komt het wel goed." Ik wist niet wat de maandagen met me zouden doen. Ik moest thuis blijven met de gordijnen dicht. Ik moest van mezelf ook iets over die opleiding zeggen op social media. Dus ging ik naar de universiteit en maakte daar foto’s. Ik kwam steeds slechter in mijn vel te zitten.
Eind januari 2013 startte ik op een avond met heel veel drinken en deed ik een poging tot zelfdoding. De volgende ochtend werd ik wakker. Ik kwam te laat op mijn werk en ben verder gegaan alsof er niets was gebeurd. Niemand zag iets aan me.
Ik wist wel dat ik niet dood wilde, maar ik wist niet hoe ik moest leven. Maar ja, het leven ging gewoon door. Dus ik ben iedere keer weer die Abbie show gaan opvoeren. Ik heb toen ook een afscheidsbrief geschreven en opnieuw bedacht hoe ik uit dit leven kon vluchten.

Ik vloog naar Balie, maakte er mooie foto’s. Ik was op momenten gelukkig, maar zo gauw ik weer alleen was, bij mezelf terugkeerde, kwamen die nare gevoelens weer terug. Ik ging op reis met het idee nooit meer terug te keren. Op een avond pakte ik mijn tas en liep ik de jungle in met het idee: vanavond gaat het gebeuren. Dit wordt het einde. Ik sta daar op een gegeven moment en… ik weet niet wat er gebeurt, maar ik schreeuw om mijn moeder. En toen zag ik haar voor me. Ik kon toen niet verder gaan, want ik wist dat zij dan zou sterven van verdriet. Mijn zus zag ik ook. Wij zijn de allerbeste vrienden. Ik wist dat ze het zichzelf altijd kwalijk zou nemen als ik nu dood zou gaan. Ik koos toen niet voor het leven, maar voor hen.
Eenmaal weer thuis ben ik op zoek gegaan naar hulp. Ik kwam terecht bij een vertrouwenspersoon. Henk. Ik heb hem gewoon een mail gestuurd en gezegd dat het niet goed met me ging. Een uur later kreeg ik een uitnodiging van hem. Ik ben de dag erna op de fiets gestapt en naar hem toe gegaan. Hij gaf me een knuffel en dat had ik nodig.
Samen met hem en een therapeut ben ik toen gaan werken aan mijn mentale problemen. Ik ging vanaf toen kleine stukjes delen. Ik heb met mijn zus en mijn moeder gepraat. Ik was bang dat ze me zouden verlaten, maar dat deden ze niet. De mensen van wie ik echt hield, zijn gebleven.
Maanden later heb ik mijn werkgever geïnformeerd. Toen was het muisstil. Het niet eerlijk zijn over de opleiding heeft iets gebroken. Ik had een gesprek met het hele schoolbestuur. Henk mocht er niet bij aanwezig zijn. Daar eindigde mijn baan. Ik moest toen mijn sleutel inleveren en onder begeleiding van de conciërge werd ik de school uit begeleid. Alsof ik een crimineel was. Dat was wel een van mijn grootste vernederingen.
Ik was blij dat ik in die weken ervoor al wat aan mijzelf had gewerkt, want als dit was gebeurd in september, dan was ik er nu niet meer geweest. Ik kwam thuis en een aantal uren later werd ik gebeld door de krant. Ik was in die tijd al wel een bekende Venlonaar. Er gingen roddels rond. Ik zou in het bezit zijn van kinderporno. Ik zou geld hebben gestolen uit de partijkas van de PvdA. Ik zou in de gevangenis hebben gezeten. Toen heb ik mijn verhaal gedaan voor de krant. Ik kon niet anders.
Ik was bang wat iedereen ervan zou gaan vinden. Uiteindelijk heeft het me vooral heel veel steun gegeven. Ik kreeg zoveel bijval. Mensen herkenden zich in mijn verhaal. De eenzaamheid die ik had, werd direct verbroken. En toen dacht ik: Oké Abbie, ga nu voor jezelf zorgen en als het ooit beter met je gaat, dan doe je hier iets mee.
En dat heb ik gedaan. Ik ging de donkerste bladzijde uit mijn leven vertalen naar een theatervoorstelling. Ik speelde het en het was muisstil. En na de voorstelling gingen mensen met elkaar in gesprek. Dit is wat ik wilde, al dacht ik toen nog: Dit is Venlo, misschien doen ze dit voor mij? Ik woonde inmiddels in Haarlem en speelde het stuk daar opnieuw. Precies hetzelfde effect.
Ik kreeg een mail van Prometheus, de uitgever. “Hier zit een boek in…” maar ik dacht dat ik daar geen tijd voor zou hebben, want ik was bezig met theater. En toen begon Corona en stopte het theater. Ik startte samen met Alwin Grijseels met het schrijven van mijn boek. ‘Ik blijf bij je’ is in september ‘21 uitgekomen. Er kwam veel reactie in de vorm van herkenning van mensen. Niet alleen van Marokkaanse afkomst, echt heel divers. Iedereen kan die kleine Abbie zijn. Mensen herkennen het lijden.
Net als velen uit mijn omgeving, wist ook Michel Sluysmans, directeur Toneelgroep Maastricht, niets van die zwarte kant en de depressies die mijn het leven in zijn greep hielden. Tot mijn boek vorig jaar verscheen en Michel in een radio-interview met mij hoorde hoe openlijk ik sprak over mijn jeugd en de tragedies die zich hadden afgespeeld. Michel en ik hebben in het verleden verschillende keren samengewerkt op het toneel en in de film, maar hij had geen idee dat dit speelde. Door het boek kwamen we uiteindelijk weer met elkaar in contact. Ik liep toen al met het idee om mijn verhaal in theatervorm te delen, om zo een groter publiek te kunnen bereiken. Het script dat er lag, heeft Michel bewerkt. Terug naar de basis met het boek Ik blijf bij je als bron.

Foto: Marie Cecile Thijs
Praten is het allermoeilijkst. Daarom heb ik een hele lijdensweg gehad, in de hoop dat mijn lijden en mijn openheid anderen inzichten geven en hopelijk leert dat we het samen kunnen doen. Dat we samen de vraag aan mensen durven te stellen, zonder direct aan oplossingen te denken. Ik kan luisteren, maar ik kan het niet oplossen. We kunnen wel samen gaan kijken waar de juiste hulp te vinden is.
Mijn moeder is trots, maar heeft ook pijn. Ze heeft al het lijden gezien en ook wat het met ons daarna allemaal heeft gedaan. Bij haar speelt nog steeds de gedachte ‘Had ik maar’ ‘Was ik toen maar weggegaan met de kinderen’, maar ze wist niet beter. Ze wist niet wat er allemaal mogelijk was. Ze kreeg vroeger van familie alleen het advies: ‘Heb geduld’.
Ik zeg haar vaak dat ik haar niets kwalijk neem. Ze heeft veel van ons weggehouden, maar ze blijft moeder en ziet haar kinderen soms lijden en dat is nog steeds erg moeilijk voor haar.
Foto boven: Nienke van Denderen