Weet je al wat er komen gaat? Ik laat je even, ik weet dat je het moeilijk vindt om te praten met zoveel andere cliënten om je heen. Ik wacht het juiste moment af en stel dan die broodnodige vraag.
“Hoe gaat het met je?” - en je zegt me dat het niet goed gaat. Ik zeg je hoe dapper ik het vind dat je dit aan me durft te vertellen. Je onthult langzaam wat er in je broeit. Ik luister naar je, peil je, ken je steeds beter. Ik vraag je hoe ik je het beste kan helpen, je zegt dat je wil doen wat er in je faseplan staat. Ik volg je, we staan naast elkaar. Letterlijk en figuurlijk lopen we samen op. De juiste afleiding, de juiste medicatie – je hebt dit eerder meegemaakt. Ik weet dat dit niet mijn pijn is, maar ik leef altijd met je mee.
Ook wanneer de tunnel donkerder wordt blijf ik naast je lopen, je hoeft niet alleen. Ik bewonder hoe je mij binnenlaat, hoe je de moed en de kracht verzamelt om de donkere tunnel niet te ver in te gaan. Net voor het te donker wordt, lopen we weer naar buiten. De tunnel uit, het donker afgeweerd. Zo dachten we. Samen?
Stilte. Een afscheidsbericht op mijn telefoon. Mijn bloed suist in mijn oren. Je hebt je poging al gedaan. Geen tijd om stil te staan. Actie. De juiste hulp inschakelen, zorgen dat er iemand bij je blijft. Alle stappen zetten die je als hulpverlener zetten moet. Doe ik genoeg? Je ouders bellen, hun shock aan de lijn. De onverwachtheid – wat heb ik over het hoofd gezien? Geen tijd om stil te staan. Jouw veiligheid gaat voor.
Je raakt me. We zijn meer dan hulpverlener en cliënt. Echt contact gaat verder, is van mens tot mens. Je toonde me je binnenkant, dacht dat je alles had laten zien. Toch haalde het donker je in, ondanks je moed en al je verzet. Allebei ons best gedaan, niemand draagt hier schuld. Of…? Ik draai de film in mijn hoofd opnieuw af, zoekend naar wat ik nog meer voor je had kunnen doen. Ik weet dat ik je niet kan redden, maar ik wil je vangen als je valt. Beter is het om samen te blijven lopen, ook als die tunnel donker wordt.
Je bent er nog. Ik kijk je aan. Je blik is veranderd, het geeft niet. Ik blijf naast je lopen, ook als je valt.