Ik hoorde het in zoveel uitspraken terug: “de studententijd is de mooiste tijd van je leven”, “geniet nou maar, je bent nu in de bloei van je leven”, “ik wou dat ik weer terug kon naar die jonge, onbezorgde jaren”. Uitspraken die me onrustig en bezorgd maakten. Als dit de beste tijden zouden moeten zijn, wat stond mij in de toekomst dan nog te wachten? En als dit ook mijn bloei zou moeten zijn, wat miste ik dan allemaal?
Als ik in al deze jaren niet tot bloei was gekomen, was ik dan een laatbloeier? Over dat woord lag ook een bepaalde laag heen, vond ik. Een laatbloeier, was dat niet een soort sukkel? Iemand die het leven niet begreep, achter de feiten aan hobbelde? Bloeien, laat bloeien, tot bloei komen: ik vond het eigenlijk maar heel vervelende termen die niet in overeenkomst waren met mijn eigen bestaan. Ik was jaren aan het overleven geweest, ik wist niet of er in mij überhaupt een zaadje geplant was dat ooit tot bloei zou kunnen komen.
Die bloei-metaforen bleken uiteindelijk alleen maar extra ballast, extra druk tijdens mijn herstelproces. Ik wilde naar de finish, mee met de andere bloeiers. Totdat ik leerde dat het hele idee van “die ultieme bloeitijd” nergens op slaat. Gaat de natuur niet ook ieder jaar opnieuw door fases van verdorren en opbloeien heen? Is het leven niet veel meer een cyclus van seizoenen, in plaats van een piekend seizoen?
Door te beseffen dat ik sociale normen mijn leven niet hoefde te laten bepalen, besloot ik dat mijn leven niet gedefinieerd hoefde te worden door een wel/niet pieken in mijn jonge jaren. Liever kijk ik naar hoe het écht in de natuur verloopt. Met periodes van bloei, dor, vries. Ieder jaar opnieuw.