Maar al snel liep ik vast in regels, protocollen en bureaucratie. En dan die voortdurende wisselingen van hulpverleners, het voelde alsof ik telkens opnieuw moest beginnen.
Het frustreerde me dat er pas hulp op gang kwam nadat ik eerst in een bepaald “hokje” geplaatst moest worden. Het gebrek aan inspraak en echte samenwerking maakte me moedeloos. Na mijn laatste opname was ik dan ook klaar met de GGZ. Natuurlijk had ik in al die jaren ook goede ervaringen, maar die leken vooral te ontstaan dankzij een aantal bijzondere individuen, niet dankzij het systeem. In die periode uitte ik mijn frustraties regelmatig op social media.
Ik wilde anderen waarschuwen voor de pijnlijke ervaringen die ik had meegemaakt. Mijn netwerk groeide, en tot op de dag van vandaag zie ik dezelfde geluiden terugkomen: wantrouwen, woede en teleurstelling. En ja, ik begrijp het. Ik herken het. Maar inmiddels weet ik ook: dit is niet het hele verhaal.
Tijdens mijn opleiding tot ervaringsdeskundige, stages en later in mijn werk, leerde ik de andere kant van de GGZ kennen. Ik ontmoette hulpverleners die zorgzaam, betrokken en oprecht waren. Ik zag hoe zij ook worstelen met regels, tijdsdruk en beleid dat soms ver afstaat van de praktijk. Ik zag de menselijke kant: hulpverleners met hun eigen zorgen, gezinnen en kwetsbaarheden.
Wat me raakte, was hoe weinig ik vroeger van hen wist. Hun privéleven bleef (begrijpelijk) buiten beeld, maar daardoor leek het alsof zij “perfect” waren, zonder problemen, zonder slechte dagen. En dus voelde het alsof de afstandelijkheid of botheid, die ik soms voelde, aan mij lag. Dat versterkte mijn gevoel van afwijzing en het idee dat er iets mis met mij was.
Wat me ook verbaasde: hoeveel ruimte er binnen teams eigenlijk is voor zelfreflectie. Er wordt veel gesproken over gedrag, over feedback en over wat beter kan. Mijn oude beeld, dat hulpverleners nauwelijks naar zichzelf kijken, bleek niet te kloppen. Wat er wel aan de hand is, is dat er vaak een ongemakkelijke afstand blijft tussen cliënt en hulpverlener. Daardoor voelt feedback geven als cliënt ingewikkeld en soms zelfs onveilig, ook al is daar in theorie wel ruimte voor.
De kritiek op social media raakt de sector diep. Niet alleen de hulpverleners zelf, maar ook het bredere vertrouwen in de zorg. En hoewel ik het begrijp, zeker als er sprake is van echte misstanden, is het belangrijk om te beseffen dat dit niet het hele plaatje is. Het gaat niet over alle hulpverleners. En het is niet de schuld van het hele systeem.
Wat ik heb geleerd, is dit: we zijn allemaal mensen. En mensen hebben menselijkheid nodig om open te kunnen zijn, ook hulpverleners. Het continu online afbranden van “de GGZ” helpt niet om die verbinding tot stand te brengen. Sterker nog: het maakt het soms moeilijker om samen verder te komen.
Dat betekent niet dat je je stil moet houden. Spreek je uit bij misstanden, absoluut. Maar doe dat op een manier die bijdraagt aan verbetering. Sluit je aan bij bestaande initiatieven, zoals MIND, je lokale cliëntenraad of een vertrouwenspersoon. Zij kunnen met je meedenken over hoe je jouw stem krachtig en constructief kunt laten horen.
En misschien wel het belangrijkste: blijf je bewust van de rol die jij zelf speelt in het hulpverleningsproces. Dat betekent niet dat jij de schuld draagt van wat er misgaat, maar wel dat jij medeverantwoordelijk bent voor hoe het proces vorm krijgt. Net als de hulpverlener. Want pas als we elkaar weer als mens durven te zien, kan er echte verandering ontstaan..