Denk je aan zelfdoding?

We zijn er voor je.
Je kunt met ons geheel anoniem bellen of chatten.

Bel gratis 113 Chat met ons Teletolk
Bel of chat met ons

Verhalen van hoop en herkenning, voor iedereen die te maken heeft (gehad) met zelfdoding.

Hoop
16-01-2026

Psychiater Remke van Staveren over psychische klachten, pillen en herstel

Remke van Staveren is psychiater. Maar, zoals ze zichzelf omschrijft, is ze vooral medemens. Ze nam het initiatief tot HART voor de GGZ, een beweging waarin ze een inspirerende bijdrage wil leveren aan een betere, menswaardige GGZ met meer aandacht voor herstel ondersteunende zorg

Remke is ook auteur en schreef onder andere Patiëntgericht communiceren, Hart voor Herstel en Minder Slikken. Voor Houd Moed gingen we met Remke in gesprek over de eigen diepe dalen die ze kende in het leven en haar herstel. Daarnaast spraken we haar over omgaan met suïcidaliteit tijdens op- of afbouwen van medicatie en de zin van het leven.

Ik ga vanzelf wel dood

Vanaf mijn 11e voelde het alsof ik er alleen voor stond. Mijn moeder had ons verlaten en ik had een heel afwezige vader. Na heel moeilijke jaren werd ik op mijn 19e zwaar depressief. Dat was de hel. Ik lag op bed, at amper, verzorgde mezelf niet. Negen maanden lag ik op bed met de gedachte: ‘ik ga vanzelf wel dood’. Een vriendin bracht me naar de huisarts die mij verwees naar de GGZ. Dat was een ervaring apart.

Ik kreeg een soort klassieke psychoanalyse waarin ik alles mocht zeggen wat er in mij opkwam. Omdat ik toen echt heel depressief was ging er van alles in mijn hoofd spelen en kreeg ik er geen stom woord uit.

Dit gaat niet helpen

Ondertussen werd ik gek in mijn hoofd. Ging ik me schuldig voelen dat ik zo’n slechte patiënt was, dat ik niets zinnigs te zeggen had. Na drie keer stopte ik die therapie en zei ik: ‘dit gaat niet helpen.’ Ik ben weggebleven. Niemand belde me op waar ik was. Wel was er een bevriend gezin die me uitnodigde daar te komen eten. Vier dagen per week kookten zij voor mij, de vijfde dag moest ik voor hen koken. Dát hielp. Daarnaast is het wonderlijke dat het opeens ophelderde in mijn hoofd. Het was gewoon klaar.

Kinderfoto: Remke met hond Boris

Een oncoloog kan toch ook kanker krijgen?

Jarenlang ben ik bang geweest weer depressief te worden. Dat is niet gebeurd. Na die zware periode heb ik mijn leven heel gestructureerd opgepakt. Ik ging studeren, maar dacht: ik word nooit psychiater, na mijn ervaring in de GGZ. Ik werd huisarts, maar eenmaal aan het werk merkte ik dat het vaak voelde als oppervlakkig bezig zijn met klachten. De persoon erachter vond ik het meest boeiend. Daarom ben ik later de studie tot psychiater ingestroomd.

Jaren ging het goed, tot ik 2,5 jaar geleden lichamelijke klachten kreeg. Vooral hartklachten maakten mij heel onzeker. Ook voelde ik mij heel verantwoordelijk in het team waar ik toen werkte. Op dat moment ben ik naar de huisarts gegaan, die mij zei: ‘maar jij bent toch psychiater’. Ik had nog net de tegenwoordigheid van geest om te zeggen: ‘een oncoloog kan toch ook kanker krijgen?’.

Door mijn angst had ik veel moeite het te gaan slikken, maar medicatie heeft mij erg geholpen. Na een paar weken ging de angst weg. Verder was mijn man heel belangrijk voor mijn herstel. Hij ging niet aan me trekken, niet duwen, niet tegen me aan zitten te praten. Nee, hij was er alleen maar. Hij was volkomen accepterend: dit is de situatie nu. Dat was voldoende. De aanwezigheid.

Uiteindelijk is het heel helpend dat iemand de hand reikt. Je hebt iemand nodig die er is, zonder oordeel. Accepterend en vertrouwen uitstralend. Dat wil ik ook als psychiater zijn voor anderen. Er zijn, en dat de cliënt weet: ik ben er gewoon en ik zal er alles aan doen om je te helpen herstellen. Maar ik ga niet trekken en duwen. Soms heeft een proces ook tijd nodig.

Ik stop met medicatie en ik wil dood. Wat nu?!

Bij een goede indicatie kan medicatie werken en soms iemands leven redden. Maar pillen kunnen iemand ook de afgrond in helpen. Je moet echt heel voorzichtig zijn en als voorschrijver goed vinger aan de pols houden. Tijdens het op- of afbouwen van medicatie krijgen mensen vaak heel fysieke reacties.

Eén van die lichamelijke reacties is inwendige onrust. Zoals wanneer je hartkloppingen krijgt, en je meteen bang bent. Zonder dat je op dat moment weet dat je hartkloppingen hebt, word je angstig. Niet omdat je ergens bang voor bent, maar omdat je brein de hartkloppingen vertaalt naar angst. Je krijgt onrust in je lijf bij het wennen en ontwennen aan psychofarmaca. Je weet dan niet goed wat er gebeurt. Je brein vertaalt dat soms naar ‘zie je nou wel, het is hopeloos, ik wil dood’. Maar het is een lichamelijke reactie. Dit gebeurt vaak bij jonge mensen. Het is een vertaling van wat er in je lijf gebeurt maar wat je nog niet kent.

Je moet je dan vasthouden aan de gedachte dat het bijna altijd aan de medicatie ligt. Belangrijk is dat je langzaam op- en afbouwt. Je lijf moet echt wennen aan met of zonder het middel leven. Er gaan dingen in je hersenen ook echt anders. Dat is nog geen terugval. Het is heel belangrijk om een signaleringsplan te hebben. Daarin staat wat je moet doen als je terugvalt en wat helpt als het moeilijker is.

Als je niet zeker weet of het je te maken hebt met ontwenningsverschijnselen ga dan weer een stapje omhoog met je medicatie. Is het dan snel voorbij, weet je zeker dat het ontwenning is. Het kan ook helpen tijdens afbouw tijdelijk kalmeringsmiddelen te slikken (zo nodig medicatie) om de ontwenningsverschijnselen te doorstaan.

Je moet leren zwemmen

Ik beschouw medicatie als een soort reddingsboei. Stel dat iemand aan het verdrinken is, werp je die diegene een boei toe om aan vast te klampen. Soms klampt iemand zich dan vast aan de gedachte dat je diegene wil helpen, dat iemand je hoop geeft, dat je weer een nachtje kunt slapen. Maar, en dat wordt veel vergeten: je moet ondertussen ook leren zwemmen. Dat is de psychotherapie. Je moet leren omgaan met je klachten.

Een andere metafoor die ik heel erg helpend vind is: wie ben ik? Ben ik de donkere wolken die boven me hangen. Nee, dit zijn mijn gedachten, mijn stemming. Die drijven voorbij. Soms dondert en bliksemt het. Als je heel suïcidaal of depressief bent, val je vaak samen met je stemming en je gedachtes. Maar ik ben niet de wolk, ik ben de blauwe lucht daarachter. Alle dingen gaan weer voorbij.

We zijn allemaal verbonden

Misschien denk je wel dat je de enige bent. Maar dat ben je niet. Als mens is het ons lot om af en toe ook mentaal heel diep te zitten. Ik geloof dat het leven zin heeft. Ik vind de zin van het leven dat je er bent voor elkaar. Ieder mens is met elkaar verbonden. Zonder dat je het weet zit je buurvrouw of een vage kennis misschien ook diep. Je bent nooit alleen. Soms ben je misschien letterlijk alleen, en zul je zelf een hand uit moeten steken, zodat een ander die kan aanpakken. Voor veel mensen werkt een huisdier heel goed, die geven troost. Of een groep mensen die worstelt met hetzelfde. Samen optrekken en ervaren dat je niet de enige bent.

Openheid geven helpt ook. Er is niet een ‘wij’ of een ‘zij’. We zijn allemaal mensen. Ik zit ook wel eens aan de andere kant van de tafel. De psychiater kan ook psychische klachten hebben. Ja natuurlijk, zou ik willen zeggen. Maar mensen hebben er soms een heel gek beeld van. De beste zorgverleners worstelen soms ook en weten hoe het is. Het kan heel helpend zijn dat ik tegen een cliënt die zwaar depressief is kan zeggen..

Ik hoor jou, en ik ben er ook geweest. Én ik ben er uitgeklommen