Ik verloor twee jaar geleden mijn beste vriend Valentijn aan suïcide. Het onderwerp suïcide was niet onbekend voor mij. Niet alleen omdat Valentijn al eerder een suïcidepoging had gedaan, maar ook omdat ik werkte in de zorg. Daar kom je vroeg of laat in aanraking met mensen die levensmoe zijn of suïcidale gedachten hebben.
Het vreemde is dat ik mij niet kan herinneren dat ik tijdens mijn opleiding heb geleerd hiermee om te gaan. Wat ik wel had geleerd was nieuwsgierig zijn naar wat mensen drijft, en dat maakte ook dat ik doorvroeg naar de doodswens van mensen. Ik ervoer deze gesprekken altijd wel als heftig, maar ook mooi. Het was natuurlijk vreselijk dat mensen deze wens hadden. Maar de openheid en kwetsbaarheid die met het gesprek gepaard gingen, raakten mij. Het heeft mij geleerd dat interesse tonen in anderen, doorvragen als iemand ergens mee zit, lang niet altijd als bemoeizuchtig wordt beschouwd. Het voelde als een bevrijding voor veel mensen.
Dankzij deze ervaringen in de zorg durfde ik ook met Valentijn over het onderwerp te praten. En toch. Als het om iemand gaat die je dierbaar is, of je nu in de zorg werkt of niet, ervaring hebt met het onderwerp of niet, is het altijd lastiger. Je bent toch bang dat je iets verkeerd doet. In mijn geval was het niet zozeer dat ik bang was om Valentijn op ideeën te brengen, maar eerder dat ik bang was wonden open te maken die bezig waren met helen.
Voor mij was boosheid het moeilijkst aan het verliezen van Valentijn. Juist die emotie maakte het complex voor mij, want het was die boosheid die ervoor zorgde dat we ruim een jaar voor zijn dood uit elkaar groeiden. Ik voelde mij ook een tijdje schuldig. Ik vroeg mij vaak af of ik zijn dood had kunnen voorkomen. Bijvoorbeeld: “Als ik nu eerder dat bericht van zijn verloofde had gelezen, over dat Valentijn na een ruzie het huis was ontvlucht, had ik dan…” Of: “Als ik nou niet zo kinderachtig had gedaan en zolang boos was gebleven, had ik dan…”.
Ik dacht constant na over wat ik anders had kunnen doen om hem te helpen. Tegelijkertijd was ik boos, want dat Valentijn er zelf voor koos om uit het leven te stappen, maakte zijn verlies extra wrang. Ik begreep niet goed waarom. Hij had in mijn ogen alles: een leuke verloofde, een carrière als schrijver, een boekwinkel die hij net met veel trots had geopend. Het idee dat dit alles hem niet gelukkig maakte, dat hij geen hulp had kunnen vinden bij de GGZ én dat zijn netwerk hem ook niet kon helpen, is best moeilijk te verkroppen.
Ik praat met de mensen om me heen en deel herinneringen: vooral de goede. Wat mij hielp om met het verlies om te gaan, was dat ik mezelf behandelde met compassie. Ik ben ook maar een mens. Natuurlijk had ik van alles anders kunnen doen, maar je kunt het verleden niet veranderen. Ik weet dat ik een goede vriendin was en dat, als ik had geweten dat hij ergens mee zat, ik er voor hem zou zijn geweest. Wat ook hielp was schrijven.
Ik keek tegen Valentijn op, omdat hij zo heerlijk bezig was met schrijven en zijn schrijverscarrière opbouwen. Schrijven was voor hem een uitlaatklep; dat is het ook voor mij. Daarom zette ik een verhaal op papier over iemand in een soortgelijke situatie: als nabestaande. In eerste instantie was dit verhaal bedoeld voor mezelf, om het verlies van Valentijn een plek te kunnen geven. Later dacht ik: meer mensen hebben te maken met suïcide; mogelijk kunnen meer mensen wat hebben aan dit verhaal.
Met mijn novelle De geesten die niet langer zwegen hoop ik dat mensen op een laagdrempelige manier het gesprek met elkaar durven aangaan. Voor mijn boek putte ik uit mijn eigen ervaringen met Valentijn en mijn werk als zorgverlener. Om mensen bij dat gesprek te helpen heeft Maartje Zeilemaker, klinisch psycholoog en suïcide-expert, een voorwoord op mijn boek geschreven. Daarin vertelt ze over het onderwerp, hoe belangrijk het is om het taboe te doorbreken, en geeft ze praktische handvatten over hoe je het gesprek kunt aangaan met een dierbare. Daarbij doneer ik 100% van de royalty’s aan 113 Zelfmoordpreventie om zich in te zetten voor suïcidepreventie.
Mijn boek is een bovennatuurlijke novelle en verschijnt vrijdag 12 september in de Wereld Suïcide Preventie Week. De hoofdpersoon is Rafiq, een jonge dertiger die samen met zijn pleegbroer en beste vriend Vinnie als beveiliger werkt. Als Vinnie suïcide pleegt, is Rafiq er kapot van. Hij begrijpt niet waarom Vinnie dit deed en vermoedt dat Vinnies ex-vriendin meer weet. Maar als zij geen antwoorden wil geven, gaat Rafiq te rade bij zijn buurvrouw Lani, een talentvolle sjamaan die geesten kan zien.
Dat is een moeilijke vraag om te beantwoorden. We leven in een maatschappij waar mensen snel oordelen. Er wordt al vaak over jongeren gezegd: “Ze hebben geen ruggengraat”, of “Ze zeuren te veel. Alles moet maar leuk zijn”. Daarmee creëer je geen veilige omgeving voor mensen om zich kwetsbaar op te stellen.
Je zorgt ervoor dat mensen hun mond houden uit angst om niet serieus genomen te worden. Het begint met meer begrip hebben voor elkaar, en dat begint al jong. Ik las een tijdje geleden dat kinderen in Denemarken tot zestien jaar elke week verplicht empathielessen op school krijgen. Ze leren daarmee luisteren, elkaar begrijpen en er voor elkaar te zijn. Ik denk dat als je zo’n open en empathische houding hebt, je veel beter het gesprek aan kunt gaan over mentale problemen.
Praat erover. Alsjeblieft. Je bent niet alleen. Zoveel mensen geven om je. Ik weet dat het leven nu ondraaglijk voor je is en dat je denkt dat dit dé oplossing is voor al je problemen, maar houd vol. Vraag om hulp. Er is licht aan het einde van de tunnel. Echt waar.
Foto: Vincent de Vries