In Man o man (2017) van Nathan Vos zegt de zus van een suïcideslachtoffer: ‘Dit is het eerste asociale dat hij in zijn leven heeft gedaan.’ De zus had het goed gezien, want de man in kwestie wordt juist beschreven als ‘zorgzaam’. Zowel voor zijn eigen gezin, als zijn sociale omgeving.
De botsing tussen het woord ‘asociaal’ en de gegeven omschrijving zette mij aan het denken. Vaak wordt suïcide beschouwd als een egoïstische daad. Maar had het slachtoffer de intentie om zijn nabestaanden te kwetsen? Wat was de mentale conditie van het slachtoffer?
Kloppen de woorden die we gebruiken rond suïcide bij wat we zien en weten? Uitdrukkingen waarin men zegt dat het slachtoffer ‘een keuze voor de dood’ maakte, bijvoorbeeld. Schrijver David Foster Wallace plaatst die ‘keuze’ in een hard kader in zijn boek Infinite Jest (2006). Vrij vertaald:
‘Als de onzichtbare pijniging een ondragelijk niveau bereikt, zal de persoon zichzelf doden op dezelfde manier als een ingesloten persoon op een gegeven moment uit een brandende flat springt. [ ] ..als de vlammen dichtbij komen, is doodvallen de minst erge van twee gruwelen. Dat is geen verlangen om te vallen; het is de terreur van de vlammen.’
Het beeld van ingesloten zitten in een brandende flat, past bij het beeld van perspectiefvernauwing dat bekend is in de wetenschappelijke literatuur over suïcide. Er woedt een innerlijke brand. De rook zit in de longen. De vermoeiing slaat toe en de vlammen komen steeds dichterbij, maar de omgeving ziet niets.
Het gaat vaak om een langdurige ervaring. Iemand bevecht al maanden, of jaren het vernietigende vuur in zijn emotionele wereld. De mentale conditie speelt rond suïcide vaak een problematische rol. Depressie, trauma’s die bovenkomen, verslavingsproblematiek, chronische slaaptekort, psychoses of andere aandoeningen.
Nathan Vos interviewt in zijn boek elf weduwen van mannen die suïcide pleegden. In hun verhalen zien we hetzelfde beeld: het slachtoffer worstelt, terwijl de omgeving (te) lang niets ziet. Depressies nestelen zich. Het gevoel van ‘niet goed genoeg’ zijn, nestelt zich. De angst overheerst, hoe langer hoe meer. Dat zagen we niet, of te laat, maar het was realiteit voor het slachtoffer. In het boek van Vos zien we dat slachtoffers al langer, ongezien, worstelden. We zien binnenvetters. Mannen die de strijd aangaan, alleen. En ten onder gaan.
Ik schrijf deze tekst niet toevallig. Na de zelfdoding van een vriendin op de middelbare school, noemden veel mensen haar daad ‘asociaal’. Dat hoorde ik via-via. Of ze zeiden het direct, met medelijden, richting mij. In alle varianten stak het, want het klopte niet.
Als tweedeklassers zagen Lisa en ik zelfmoord als de ideale uitweg. We waren overtuigd van de zinloosheid van alles. Het verschil tussen Lisa en mij, is dat zij drie jaar later de daad bij het woord voegde in de leerlingenruimte van onze school.
Lisa liet brieven na. Daar stond niet veel in, maar haar brief aan mij bevatte één kwetsbare zin. Meestal was Lisa uitgesproken, zelfverzekerd en fel. Maar dan deze zin: Ik kan het niet allemaal nog een keer aan. Deze zin ging over haar komende verhuizing, een nieuwe school en een schooljaar waarin ze heftig was gepest.
Het duurde, maar jaren later zag ik het scherp: Lisa was heel zelfverzekerd en stoer naar buiten, maar van binnen gebroken. Ze ging de strijd alleen aan en raakte mentaal op: ‘niet allemaal nog een keer’.
Terug naar de kernvraag: Is suïcide een egoïstische daad? De ouders van Lisa plaatsten een open brief in onze schoolkrant. Een van hun vragen was: Besef je wel wat je je omgeving hebt aangedaan?.
Ik vrees dat het antwoord op die vraag ‘nee’ is. Geen oog hebben voor je omgeving kun je ‘asociaal’ noemen. Doorgaans terecht, zelfs. Maar past zo’n verwijt ook rond suïcide? Wie enigszins bekend is met suïcidale gedachten, weet hoe sterk deze (tegen)kracht van het leven is. Dat bevestigden mensen ook in persoonlijke reacties op mijn opiniestuk in Trouw.
De perspectiefvernauwing maakt dat het slachtoffer geen ander optie ziet dan de eigen dood, omdat het leven niet langer te (ver)dragen is. Om terug te komen op het beeld van Wallace: de persoon die uit een brandende flat springt, is niet bezig met de mensen die op de stoep lopen. De intentie om de ander te kwetsen, is absent. De ander wordt niet gezien. Net zoals de wandelaar op de stoep de brand niet ziet en nooit zal begrijpen waarom het slachtoffer sprong.
Hoe langer iemand ronddwaalt in de afgesloten wereld van suïcidale gedachten, hoe minder de ‘buitenwereld’ tot je doordringt. De schrijver A. Alvarez schrijft in zijn boek De Wrede God (1971) terecht over ‘een gesloten wereld’. Ad Kerkhof, emeritus hoogleraar Klinische Psychologie, Psychopathologie en Suïcidepreventie, spreekt van een ‘glazen muur’ tussen het slachtoffer en de buitenwereld. Ik herken dat beeld, ook bij mezelf.
Pas tijdens het schrijven van mijn boek Altijd 17 kwam ik erachter dat ik nooit de waarheid had verteld aan het meisje dat Lisa heeft gevonden. Namelijk dat ik er domweg niet aan had nagedacht dat zij haar zou vinden, terwijl ik wist dat zij altijd als eerste ’s ochtends in de leerlingenruimte kwam.
Wie de egodocumenten van suïcideslachtoffers leest, stuit keer-op-keer op woorden die duiden op een gevoel van falen. Niet goed genoeg zijn. Slachtoffers denken dat ze anderen ophouden en willen hen soms niet meer ‘tot last zijn’.
Voelt suïcide als ‘egoïstisch’ richting nabestaanden? Ongetwijfeld. Ik herken de pijn en vlagen van woede. Maar de woede richt zich op de situatie, niet op haar. Als ik bij Lisa’s graf sta, voel ik dat woede misplaatst is. Zij brak. Ze kon niet anders. Ik voel vooral mededogen. En gemis.
Voor effectieve suïcidepreventie is het een goede zaak om samen kritisch te kijken naar de woorden die we gebruiken rond zelfdoding. Kloppen ze met wat we zien, weten en voelen? Helpt ons taalgebruik rond suïcide ons bij preventie en bij verlies, of niet? Zetten we slachtoffers weg als ‘asociaal’, of kunnen we begrijpen dat we ook een goede mentale conditie nodig hebben om door het leven te komen?
Suïcide veroordelen is eenvoudig, maar helpt niemand. Liefdevoller denken, spreken en schrijven over suïcide kan ons wel helpen. Liefdevoller spreken over suïcide biedt meer ruimte voor gezond rouwwerk na zelfdoding. Woede en verwijten brengen ons niet verder. Maar als we de gebrokenheid van slachtoffers openlijker mogen betreuren, krijgt ons verdriet ook meer ruimte.
Ons verdriet om de onmacht van hen die ons hebben verlaten. En ons verdriet over onze lege handen.