Zelf heeft ze een depressie en een angststoornis, had ze een burn-out en slikt ze antidepressiva. Ondanks alles gaat het nu goed met haar. Ze deelt haar verhaal met Houd Moed.
Mentale onrust speelt veel in mijn familie. Mijn vader, mijn nichtjes: iedereen heeft wel wat. Als ik nadenk over hoe mijn mentale problemen zijn ontstaan, dan weet ik eigenlijk niet beter dan dat ik altijd zo ben geweest. Als kind lag ik al te piekeren in bed, kon ik niet slapen omdat ik bang was dat ik achtergelaten zou worden. Ik was bang dat mijn ouders zouden overlijden of weggaan of dat er brand zou uitbreken. Ik kan me niet anders herinneren dan dat het allemaal altijd in mijn hoofd gaande was. Als kind had ik er dus al veel last van, maar tegelijkertijd is dat voor een kind ook lastig te benoemen. Als ik de vraag kreeg: “Lig je weer te piekeren?”, dan dacht ik bij mezelf: “Ik pieker niet; dit is gewoon hoe ik denk. Dit is voor mij normaal.” Ik kon het idee dat ik piekerde helemaal niet plaatsen.
Pas toen ik zo angstig werd dat ik bepaalde dingen niet meer ging doen bedacht ik mij dat er iets niet in de haak was en dat ik daar iets mee moest. Dit had ik pas door toen ik niet langer rustig in de trein kon zitten omdat ik bang was voor een aanslag, niet meer kon slapen, continu het gas, de kaarsen en het slot moest controleren. Ik was toen een puber, een jaar of veertien. Doordat ik al die jaren niet wist wat ik ermee moest, heeft de angst zich lang door kunnen ontwikkelen. Mijn ouders waren er wel voor mij, maar ik was altijd zo in gedachten dat zij ook niet aan mij konden zien wat er door mijn hoofd ging. Bovendien komen zij uit een tijd waarin er nog een stuk minder bekend was over mentale gezondheid. Ze hadden in feite geen idee.
Inmiddels had ik mijn beautyblog opgericht en woonde ik in Amsterdam, ver bij mijn ouders vandaan. Ik kon daardoor alleen nog maar via de telefoon checken of ze nog leefden, dat was een erg moeilijke periode voor mij. Ik kon maar niet slapen, probeerde continu controle uit te oefenen en daardoor was ik erg vermoeid. Ik bleek een gegeneraliseerde angststoornis te hebben en daar heb ik van mijn achttiende tot mijn twintigste therapie voor gehad. Dat hielp ontzettend goed en ik was zo blij dat alles weer op de rit was.
Maar toen, eind 2018, raakte ik in een burn-out. Die burn-out sloeg in 2020 om in een depressie. Daar waar ik in mijn angstige periode en in de periode van mijn burn-out nog steeds de wil had om dingen te doen, wilde ik dat in de depressieve periode niet meer. Ik vond dat heel raar, want ik ben altijd positief geweest. Zodra de wekker gaat spring ik het liefst uit mijn bed omdat ik zin heb in een nieuwe dag, dat heb ik altijd al wel gehad.
Maar op een gegeven moment merkte ik dat dit niet meer kwam en zodoende wilde ik eigenlijk helemaal niets meer. Ik was inmiddels eind twintig en zag vriendinnen om mij heen kinderen krijgen, verder gaan met hun leven. Terwijl ik bij mezelf dacht: “Ik heb inmiddels zo veel therapie gehad, zo veel gedaan om beter te worden, maar ik kom geen steek verder. Ik dacht dat ik er vanaf was, maar het is nu erger dan ooit.” Ik had geen vertrouwen meer in mezelf, geen vertrouwen dat ik me weer beter zou gaan voelen en dat er nog een toekomst voor mij inzat. Ondertussen lag ik alleen maar in bed en kon ik enkel huilen. Dat was het moment dat ik begon na te denken over manieren om uit het leven te stappen.
Ik had mijn ouders niet verteld hoe slecht het echt met me ging, maar wel dat het niet goed met me ging. Mijn moeder stelde toen voor om naar de huisarts te gaan en te vragen om antidepressiva. Mijn vader slikt dat namelijk al jaren en voor hem werkt dat heel goed. Maar toen ik alles eerlijk aan de huisarts vertelde, zei zij dat ze eerst even met de crisisdienst wilde overleggen of ze die medicatie wel kon voorschrijven.
De crisisdienst zei: “Als Vera het weekend veilig kan doorkomen, dan mag ze na het weekend langskomen. Anders moet ze nu opgenomen worden.” Ik wilde absoluut niet opgenomen worden, want ik was net mijn werk weer aan het opbouwen. Ik dacht bij mezelf: “Mijn klanten zullen me zien aankomen”. Ik heb daardoor aangegeven dat ik het weekend wel kon doorkomen.
Ondertussen keek ik er eigenlijk ontzettend naar uit om na het weekend opgenomen te worden. Ik vond het natuurlijk ook erg spannend, maar ik keek uit naar de antidepressiva. Na het weekend ben ik naar de crisisdienst gegaan, waar mij verteld werd dat ik een depressie had en dat ik elke dag bij hen langs moest komen. Ik hoefde niet opgenomen te worden als ik dat niet wilde, maar ik moest wel elke dag aanwezig zijn en met de medicatie starten. Er werd mij goed uitgelegd hoe de antidepressiva zou werken, dat mijn gevoelens in het begin heftiger konden worden en dat er mogelijke bijwerkingen zouden zijn.
Ik heb alleen maar goede ervaringen met de crisisdienst, ze hebben me echt superfijn geholpen. Ik voelde me heel serieus genomen en heb intensief contact met hen gehad. Naast het slikken van de antidepressiva was het een vereiste dat ik weer in therapie zou gaan. Ik ben toen ACT gaan volgen en dat bleek een goede match te zijn. Die therapie heeft mij heel veel handvatten gegeven. Twee jaar geleden rondde ik dat af en nu gaat het eigenlijk al twee jaar best goed.
Wat mij ontzettend heeft geholpen, is het maken van een signaleringsplan. Kort gezegd helpt dit plan mij en mijn omgeving om inzichtelijk te maken hoe ik kan merken dat ik mij niet goed voel. Door al in een vroeg stadium bewust te worden van hoe ik mij voel, kan ik daarnaar handelen en eventuele escalaties zoveel mogelijk proberen te voorkomen.
Vóór een daadwerkelijke hyperventilatie zitten bijvoorbeeld nog heel veel stappen. Zoals een onbeantwoord telefoontje aan mijn ouders waardoor ik de gedachte krijg dat zij misschien dood zijn. Dit levert mij lichamelijke spanning op, wat uiteindelijk in hyperventilatie om kan slaan. Je moet dus heel bewust zijn van wat je voelt om zo’n plan te maken, maar dat maakt het nou juist zo waardevol. Als ik bijvoorbeeld merk dat ik mijn handen samenspan of dat mijn nek verkrampt, weet ik nu dat dit fase één is voor mij. Dan ga ik bij mezelf na waar dat door zou kunnen komen en wat ik eraan kan doen.
Dat kan iets heel kleins zijn om mijn gedachten te verzetten. Zoals een wandeling maken of het kijken van een aflevering van Friends. Al dat soort tools schrijf je ook op in het plan. Zo kunnen jij en je omgeving een goed beeld krijgen van de signalen die er op wijzen dat het misschien minder goed met je gaat.
Telkens wanneer ik iets deel wat taboe is, merk ik dat ik niet de enige ben. Dat is fijn, want het neemt de schaamte weg die een mens er vaak van weerhoudt om hulp te zoeken. Aan de privémails die ik ontvang merk ik heel sterk dat het taboe nog altijd heerst. Mensen zijn er blij mee dat ik mijn verhaal deel, maar durven het tegelijkertijd niet openlijk op sociale media te delen.
Uiteindelijk denk ik dat, wanneer we meer open zouden praten over mentale problemen, we die ook veel eerder zouden kunnen signaleren en escalaties zouden kunnen voorkomen. Het mooiste zou zijn als praten over mentale gezondheid net zo normaal wordt als praten over lipstick. Want het hoort nu eenmaal bij het leven; het is niet echt niet alleen maar vreugde en zonneschijn.
Ook mij lukt het niet altijd om over mijn problemen te praten. Zeker als ik er nog middenin zit. Ik merk aan mezelf dat ik eerst uit de situatie moet komen om te kunnen reflecteren op wat er precies gebeurd is. In dat soort periodes ben ik met name erg stil online.
Maar ook als het juist goed gaat met mij, kan ik een bepaalde druk voelen. In zo’n periode heb ik eigenlijk helemaal geen duidelijke aanleiding om het bijvoorbeeld over mijn depressie te hebben, terwijl mensen wel verwachten dat ik het daarover heb. Daar ben ik nog zoekende in, maar ik probeer mezelf vooral toe te staan om het klein te mogen houden. Ik hoef niet altijd mijn hele verhaal op tafel te leggen. Ik mag het ook over leuke dingen hebben, en op mindere dagen iets kleins delen is goed genoeg.
Uiteindelijk zullen er altijd mensen zijn die me voor een bepaalde vorm van content volgen, dat hoort nu eenmaal bij het werk. Ik probeer zoveel mogelijk zacht voor mezelf te zijn en te bedenken waar ik het die dag over wil hebben. Soms zijn dat beautyproducten, soms mentale gezondheid. En dat is oké.

Vroeger wilde ik zo graag van mijn klachten afkomen. Maar vandaag de dag heb ik juist vrede met de gedachte dat ze er altijd zullen zijn, want het neemt de druk om me goed te blijven voelen weg. Door toe te laten dat dit is hoe ik ben, voel ik een stuk meer acceptatie over mijn mentale onrust. Ik heb geleerd hoe ik moet omgaan met de golven van mijn gevoel. Als je op zee ligt is er altijd water. Soms zijn de golven heviger, en soms rustiger, maar ik kan er op blijven liggen en meebewegen met de golven die er zijn.
Tuurlijk, soms slaat er een golf over mij heen, maar ik kom altijd weer boven. Daar zie ik de zon en kan ik weer functioneren. Dit weten, geeft mij ontzettend veel rust. Het is niet erg dat ik een depressie en een angststoornis heb en medicatie slik en dat ik dat waarschijnlijk altijd zal blijven doen. Ondanks dat gaat het goed met mij.
Ik vind het belangrijk om te benoemen dat accepteren voor mij niet opgeven is, maar juist leren leven. Ik wil laten zien dat het leven de moeite waard is, ondanks de problemen die er zijn. Je kunt een prachtig leven opbouwen. Ondanks mijn klachten heb ik een huis gekocht, een hondje, ik ben getrouwd. Toen ik diep in het donker zat kon ik me niet voorstellen dat ik me ooit nog goed zou voelen. En toch is dat gebeurd. Het vraagt moed om daarin te blijven geloven. Maar het is de moeite waard.
Als het soms niet lukt om te praten, probeer dan via een andere weg uit je hoofd te halen wat je denkt. Schrijf je gedachten op, zodat je ernaar kunt kijken en het als het ware los kunt maken van jezelf. Op deze wijze krijgt het lucht. Dat helpt om door te kunnen gaan.
Vera schreef een boek over haar angststoornis en depressie: “Het zit tussen je oren – Hoe ik toch gelukkig werd met een angststoornis en een depressie”.