Ik ben depressief

“Ik ben depressief”. Het is niet altijd eenvoudig om dit zo duidelijk tegen iemand te zeggen. Toch is het erg belangrijk om hierover te praten. Zeker als er ook gedachten aan zelfdoding bij komen.

Mocht je je hierin herkennen, je depressief voelen én denken aan zelfmoord, aarzel dan niet langer, maar neem contact op. Met je huisarts, een vriend(in), familie, met iemand waarmee jij je vertrouwd voelt. Of met ons.

Zoek hulp bij gedachten aan de dood

Vind je het prettiger om je verhaal anoniem te doen? Je kunt bij ons 24/7 praten via de crisislijnen met een vrijwilliger over jouw depressie- en zelfmoordgevoelens en –gedachten. Of neem contact op met ons psychologenteam. Je kunt hen bellen via het spreekuur. Je kunt je ook aanmelden voor therapie; gratis en zonder wachttijd.

Hoe weet je of je (chronisch) depressief bent?

In Nederland kampen jaarlijks bijna 800.000 mensen met een depressie. Het grootste deel hiervan bestaan uit vrouwen. Mensen in de leeftijdscategorie van 25 tot 35 jaar hebben meer kans op een depressie.

Kenmerken zijn:

  • Depressieve stemming of geprikkeldheid (groot gedeelte van de hele dag en bijna dagelijks).
  • Duidelijke vermindering van interesse voor of plezier in veel activiteiten (groot gedeelte van de hele dag en bijna dagelijks).
  • Gewichtsverlies of juist toename van gewicht (of toe –of afname van eetlust) zonder duidelijke reden.
  • Niet goed kunnen slapen of juist te veel moeten slapen (bijna dagelijks)
  • Psychomotorische gejaagdheid of geremdheid (bijna dagelijks)
  • Vermoeidheid (bijna dagelijks)
  • Gevoel dat je waardeloos bent of schuldig.
  • Moeite hebben met helder denken, beslissingen nemen en concentreren.
  • Je wanhopig voelen, aan zelfmoord denken, met of zonder specifieke plannen of een zelfmoordpoging doen

Je kunt ook een zelftest maken als je niet zeker weet of je depressief bent.

“Ik ben depressief” en nu?

Zoals gezegd is het belangrijk om hulp te zoeken als je je depressief voelt. Er zijn verschillende soorten behandelingen mogelijk. Je huisarts kan je hierover informeren.